Getemd

Couperus

Getemd

In de doodsangst ijlde een hinde door het woud,De wanhoop in het goudbruin oog, dat staarde,Dat staarde, of 't ginds ook niet een uitkomst zag,In 't ver verschiet... Reeds stond het bloedig schuimHaar op den fijnen snoet; de dorens wonddenHeur teêre zijden, en de slanke pootenVerwarden zich in 't netwerk der lianen...Een jonge jager, in zijn forschen vuistDe spere klemmende, achtervolgde haar.Zijn boezem zwoegde; het vurig-fonklend oogSchoot straal bij straal van onverzaadbren jachtlust,En zijnen mond verwrong een wreede trek.'t Gespikkeld lossenvel zwierde om zijn schoudren;De rossig-blonde hairen vlogen warlendOm 't gloeyend aanzicht...Immer vliegt ze verder,Totdat... verneemt zij reeds die ademhaling,Haar zwoegende achtervolgend? Moede en matVertraagt de vluchtling heure dolle vaart,Als geeft ze zich gewonnen... Wellicht heft,Met aadlaarsblikken mikkend, reeds de jagerZijn speer, zoo fel gelijk een bliksemschicht...Zij wankelt...Dan, op eens, daar ligt een meir;Saffier, die sparkelt in het groene loover,Lazuren vloed, het reine blauw des hemelsWeêrspieglend als een klaar krystal... De reddingIs daar... zij voelt het... daar... Met nieuwen moedDe laatste krachten zaamlend rept ze zichTot aan den oever, springt in 't koelend nat,En waadt en zwemt... ginds lokt reeds de andre boord...En druipend stijgt zij op uit 't riet, en vlucht...De jonkman, met één ruk den dierenhuidZich van de schoudren trekkend, stort zich zonderEen poos te toeven in het water, brieschendVan toorn nu hij zijn prooi ontsnappen ziet.Dan, nauwlijks klieft hij zwemmend door den vloed,Of voelt zich plots omstrengeld door twee armen,Zoo wit als sneeuw; hoe ook hij tegenstreeft,Hem immer vaster klemmend, immer vaster...En reeds verzwindt de vluchtende in het loof...Dan worden eerst zijn boeyen hem geslaakt;Hij voelt zich vrij, maar zie, daar beurt zich schaatrendTe mid van bloeyend lisch en krokend rietDe nymf des meirs, zoo wedergaêloos-wit,Als waar' ze uit enkel zilverschuim geboren.Tot aan de rozenknieën heft zij zichOmhoog; van paerlen vloeyend is heur boezemZoo teeder-schoon gelijk een duivenpaar,In slang bij slang door groenig-gouden lokkenOmkronkeld, en haar wonder oog, zoo blauw,Zoo diep als 't krystallijn des klaren meirs,Temt, half zich luikend, van verlangen zwijmlend,Den viergen Nimrod met een enklen blik.En lokkend, lonkend lachen heure lippen;Haar eene hand doorwoelt het goudgroen hair;Heur andre plukt de bleekblauwe iris, dieDe groote bloemen aan heur lichaam dringt.Ontroert slaat haar de jager gade...`O, kom!Kom in mijn armen, kom mij aan den boezem!'Zoo roept ze: `Ik smachtte van den oogenblik,Dat ik voor 't eerst u in dit oord zag jagen,Niet op de hinde alleen, de schuchter-bloode;Ook op wat wildst er in de wouden zwerft.O, mocht ik u, en nooit versaagden jager,Hier in mijn armen temmen!' en zij strekteDie uit, zoo slank als donzen zwanenhalzen,En smachtte en smeekte: `O, kom, o kom!'...Hij kwam,En toen des avonds door het fluistrend looverDe maan hen schalk belonkte, waar ze sluimrendElkaêr in de armen lagen in het lisch,Toen kwam de hinde om heuren dorst te lavenAant 't meir terug, niet bang meer voor den jager,Daar zij getemd dien wist in zoete omarming...

Comentarios

Cargando comentarios…